Mijn boekpresentatie: “Trial by media. Wie beschermt de verdachte in een mediaproces?

17-06-2011

Sprekers: Mia Roessingh-Bakels, landelijk voorzitter persrechtersvergadering

Victor Lebesque, voorzitter Nederlandse Raad voor de Journalistiek

Wouter Hins, hoogleraar pers- , media- en omroeprecht Universiteit Leiden

AMSTERDAM – In debatcentrum De Rode Hoed werd op 17 juni j.l. mijn boek ‘Trial by media. Wie beschermt de verdachte in een mediaproces?’ door uitgever Kluwer gelanceerd. In mijn visie zal de toenemende medialisering van het strafrecht steeds grotere consequenties hebben voor het blijven waarborgen van het recht op een eerlijk proces en de privacy van verdachten, slachtoffers en andere procesdeelnemers.

In mijn boek inventariseer ik de gevaren van een trial by media. Ook analyseer ik de rechtsbescherming die de verdachte kan inroepen wanneer hij in een mediaproces dreigt te worden benadeeld. Verder doe ik diverse aanbevelingen hoe ernstige uitwassen van een mediaproces in geruchtmakende strafzaken door wetgever, justitie en advocaten kunnen worden bestreden.

Tijdens de boekaanbieding in De Rode Hoed gaven mr. Mia Roessingh-Bakels, voorzitter van de landelijke persrechtersvergadering, tevens raadsheer strafrecht in het gerechtshof Arnhem en mr. Victor Lebesque, voorzitter van de Raad voor de Journalistiek, hun visie op het verschijnsel trial by media. Dat gebeurde na een inleiding van prof. mr. Wouter Hins, hoogleraar pers-, omroep en mediarecht Universiteit Leiden, waaruit bleek dat het duiden van de gevaren van een trial by media hoogstnoodzakelijk is in deze tijd.

Volgens Roessingh-Bakels is er in ‘de samenleving sprake van een afnemend belang van feiten en een toenemend belang van beeldvorming. Hierdoor ontstaat er dus een discrepantie in het beeld bij het publiek. Media en publiek hebben weinig baat bij nuance, hetgeen juist de kracht is van de rechter.’

‘De oplossing voor de angst dat de verdachte bij een verdergaande medialisering van het strafrecht niet goed word beschermd ligt gedeeltelijk bij de journalistiek, al is de rechter de meest aangewezen persoon om die belangen te blijven beschermen,’ aldus Roessingh. De journalistiek reikte zij het volgende richtsnoer aan: ‘Hou je bij je feiten. Speel niet teveel op de persoon. Leg uit hoe het recht in elkaar steekt. Vraag informatie en inlichtingen bij de rechtbanken. Men is daarvoor goed toegerust en wil die inlichtingen ook geven. Ga uit van de onschuld van de verdachte.’

Wat de rechters betreft is Roessingh van mening dat deze ‘genuanceerd blijven rechtspreken. ‘Rechters zijn in dit geval niet meegegaan met de ontwikkeling in de tijd – met andere woorden men is niet beïnvloed door de medialisering – en houden zich niet bezig met beeldvorming.’

Victor Lebesque zei dat hij alleen ‘een fatalistisch antwoord heeft’. De voorzitter van de Raad voor de Journalistiek stelde daarbij: ‘Als een persoon in de media is opgevoerd en gefileerd, dan is hij voor zijn leven getekend. Je kunt wel een beroep doen op de journalistiek om eerlijk en betrouwbaar te berichten, zelfbeheersing te tonen en terughoudendheid in acht te nemen. Maar dat betekent wel dat de slag met de concurrent wordt verloren.’ Daarnaast zijn volgens Lebesque ‘ook de sociale media oorzaak van het feit dat anonimiteit, integriteit en terughoudendheid niet zijn te garanderen. Er zijn duizenden mensen die een mening hebben en deze ook ten toon spreiden. Het is een mediawoestenij.’ Volgens Lebesque is het dan ook ‘onbegonnen werk’ en ‘hopeloos’ om iets aan een trial by media te doen.

In de context van de oprukkende beeldvorming en medialisering is volgens Roessingh ‘het belang van het boek “Trial by Media” niet te overschatten. De samenleving moet zich over deze materie blijven buigen, omdat de balans tussen een onafhankelijke rechtspraak en de gerechtvaardigde wens van de samenleving om daarover geïnformeerd te worden, zeer belangrijk is. Het boek biedt hiervoor nieuwe perspectieven.’